Een glaasje water – misschien is daarmee mijn liefde voor film ontstaan. Mijn vader had me meegenomen naar de bioscoop. We zaten bij Jurassic Park, vooral vanwege de T-Rex die regisseur Steven Spielberg er volgens de recensies zo verbluffend echt had laten uitzien. Dat moesten we zien, vond hij.

Voor wie de film niet kent: het gaat over een soort pretpark met gekloonde dinosaurussen. Tijdens een testtour loopt het volledig mis als de stroom uitvalt. En dan is er een scène die gaat als volgt: jongen, meisje en begeleider zitten samen in een jeep, in dat dinopark. De elektriciteit is dus uitgevallen, het is overal pikdonker en dinosaurussen lopen vrij rond. Het is stil, op de neerkletterende regen op het dak na. “Voelde je dat?,” zegt het jongetje opeens tegen zijn zusje. Dan zoomt de camera in op twee plastic bekertjes water op het dashboard. ‘Bom’ hoor je, en het water rimpelt. ‘Bom’, iets luider. Diepere rimpeling. ‘Bom!’ Hier komt iets groots aan. Iets gevaarlijks. Iets nieuws.

Meegezogen in een onbekende, gevaarlijke wereld, door iemand die je de stuipen op het lijf kon jagen met een simpel glaasje water. Dat is de reden dat ik verkocht was, denk ik. Dat, en het feit dat ik voor het eerst in een bioscoop zat. Voor de snelle rekenaars: ja, dat was 1994, en ja, toen was ik veertien jaar, en ja, dat is rijkelijk laat, zeker voor iemand die nu zijn geld verdient als filmrecensent. We kunnen dus wel concluderen dat mijn ouders er de kantjes er behoorlijk vanaf hebben gelopen wat de cinematografische opvoeding betreft. Ter verdediging: in Hoorn, waar ik woonde, was een bioscoop, maar daar ging niemand heen. En als u nu denkt: nou, nou, dat zal wel meevallen: in 2000 is hij op een vrijdagavond afgebrand, aangestoken door de enige bezoeker.

Wat ik wel had was de Veronica Gids, waarin ik over films las, en de videotheek, waar die films uit de gids natuurlijk pas na een jaar te krijgen waren. James Bond kwam gewoon op tv. Op partijtjes heb ik een stuk of tien keer Ghostbusters gezien, en een keer The Blue Lagoon, waarvan ik me vooral herinner dat ik me te jong vond – ik was 11.

Het is later natuurlijk allemaal nog goed gekomen, maar toen ik zelf kinderen kreeg, besloot ik dat ik het beter zou gaan doen dan mijn eigen ouders met hun laissez-faire-houding. Er was een plan. Als ze 18 waren, zouden ze in ieder geval weten wat de nouvelle vague inhoudt, en wie Akira Kurosawa is. Ik zou beginnen met Bambi, precies op de leeftijd dat ze geen trauma zouden oplopen van die dode moeder. Via Laurel and Hardy zouden ze voor het eerst kennis maken met de klassieke taart-in-je-gezicht-grap. E.T. stond al klaar in de kast, wachtend op het moment dat ze ondertiteling zouden kunnen lezen. Speciaal voor een gure winteravond, het hele gezin onder een kleedje, popcorn onder handbereik.

Nu had ik me ook voorgenomen om alleen wat houten blokken te kopen als speelgoed en eindigde ik met een huis vol lichtgevend en lawaaierige rommel. Dus ook met de goede filmplannen liep het snel mis. Aan het einde van de dag zoeken mijn kinderen tegenwoordig zelf wat uit op Netflix en dat zijn nooit de meest verantwoorde, met zorg vormgegeven series. De taartengrap hebben ze al duizend keer gezien in slechte tekenfilms en hun aandachtsspanne is ‘vernetflixiseerd’: als het langer dan vijf minuten niet leuk is, gaan ze op zoek naar iets anders. Toen ik laatst voorstelde om E.T. te kijken, bleek dat mijn dochter die al gezien had. In etappes. Een paar jaar geleden, toen ze überhaupt nog niet kon lezen.

Dat was het moment dat ik besloot de cinematografische opvoeding weer serieus te nemen. Ik ging een lijst aanleggen met films die ze moesten zien en op welke leeftijd. Ik vroeg advies aan familie, vrienden, collega’s en kennissen. Ze reageerden allemaal uiterst enthousiast. Een zachtaardige vriendin bleek haar puberteit te hebben doorgebracht met horrorfilms. Een filmcollega roemde Bergmans Wilde Aardbeien en aan de andere kant van het spectrum vertelde een radiocollega dat hij Home Alone als een van de hoogtepunten beschouwt binnen de cinema – zo ervoer hij het tenminste toen hij 8 was. U begrijpt: die lijst liep al snel gierend uit de klauwen – ik denk dat ik in totaal zo’n 300 titels heb verzameld.

En toch bleek die hele zoektocht wel heel waardevol. Want naast de titels kreeg ik vooral persoonlijke verhalen. Over eerste bioscoopervaringen, over momenten dat mensen voor het eerst ondersteboven werden geschopt door een film. En daardoor realiseerde ik me dat je geen filmliefde kweekt door kinderen zoveel mogelijk klassiekers voor te schotelen. Een paar zijn in principe genoeg. Je moet vooral de omstandigheden creëren waaronder een film zich – bam – rechtstreeks in het hart kan gaan nestelen.

En wanneer doet een film dat? Als het je iets laat zien wat je nog niet eerder gezien hebt – in vorm of verhaallijn of wat dan ook. Als het je meezuigt in een wereld die je liefst niet meer zou willen verlaten. Als het precies gaat over de grote thema’s waar je op dat moment mee bezig bent – vriendschap of liefde, dood of geweld. Als het je wereldbeeld onderuit schoffelt.

Natuurlijk, alleen goede films kunnen dat, maar niet elke goede film raakt op die manier. Het laat zich afdwingen noch voorspellen. Tenminste, ik kan het nog steeds niet zien aankomen. De afgelopen jaren heb ik mij in duizenden mensen verplaatst. Ik was mannen en vrouwen, zwart en wit, superhelden en losers. Ik ben overal ter wereld geweest, in alle sociale klassen. En toch overkomt het me nog, dat ik opeens weer overdonderd naar een aftiteling zit te staren, bijna niet in staat om te bewegen.

Verras me. Overrompel me. Dat wil ik van een film. En het enige wat ik mijn kinderen echt wil meegeven met mijn cinematografische opvoeding, is dat films dat kunnen.

X