Er ligt een hordeur op straat. Iemand heeft vrede gesloten met de vliegen. Het kan niet zo zijn dat diegene zijn hordeur niet meer nodig had, want in alle bermen en op alle straathoeken staan kersenbomen in bloei en in elke tere, roze bloesem wordt, onder begeleiding van zacht gezoem, volop bestoven. De vliegen zijn nog gewoon aanwezig en iemand die zijn hordeur bij het grofvuil zet, moet wel tot een overeenkomst met ze zijn gekomen. Een staakt-het-vuren in de eeuwige guerrillaoorlog tussen mens en vlieg.

Die iemand, ik stel hem mij voor als een man, wordt de ochtend na het weggooien van zijn hordeur wakker in een zwarte slaapzak van levende vliegen. Hoewel zijn mond terwijl hij nog sliep ontspannen openhing, wordt het hem direct na ontwaken duidelijk dat de nieuwe vrede broos is. Het zoemt om hem heen, hij moet voorzichtig zijn. Hij staat heel langzaam, heel beheerst op uit zijn bed. De deken van vliegen herschikt zich als een kamerjas rond zijn lijf. Het kriebelt.

Tijdens het ontbijt heeft de man spijt van het weggooien van zijn hordeur. Het vredig samenleven met vliegen is ingewikkeld. De nieuwe vrede is zo teer dat elke beweging een nieuwe oorlog tussen man en vlieg kan uit lokken. Dus: alleen een hap nemen wanneer er toévallig geen vlieg of ander insect op het ontbijt aanwezig is. Niet wapperen of anderszins wegjagen, aangezien dat als een belediging, ja zelfs als uitlokking, kan worden opgevat.

Dan gebeurt het onvermijdelijke.

Hij die met de vliegen tot een overeenkomst was gekomen, hij die als teken van goede wil én uit eigen vrije wil zijn hordeur bij het grofvuil zette, neemt een hap van zijn boterham met kaas en slikt per ongeluk een vlieg in.

De actie leidt direct tot verschrikkelijke gevolgen. De vliegen zien dit met voeten treden van het hordeur-bestand als perfecte aanleiding om de wapens weer op te pakken. Luid zoemende wolken vliegen vliegen, nee bruisen om de arme hordeurweggooier heen. Alsof dat nog niet genoeg is regent het uit de gehele dierenwereld veroordeling van zijn gruweldaad. Kikkers, zelf ook niet van onbesproken gedrag, springen door zijn, hordeurloze, deuropening terwijl ze luid ‘Schande! Schande!’ kwaken. Eenden vliegen naar binnen en stelen zijn brood. Muggen, horzels en bijen dreigen troepen te sturen om de vliegen bij te staan. En waar haalt een mens in zo’n mondiale vliegencrisis een nieuwe hordeur vandaan?

Nergens. Geen handelaar die een man, omringt door miljoenen vliegen zijn winkel binnenlaat.

Maar vliegen, en de meeste andere insecten ook, en sowieso de meeste dieren, zijn nette dieren. Talloze natuurdocumentaires zijn gevuld met close-ups van de vlieg die razendsnel, zeer bedreven haar handen wast. En omdat vliegen zulke nette dieren zijn, besluiten ze hun voormalige hordeurhouder maar huidig laaghartige vredesverdragschender en doodsbange gevangene niet op beestachtige wijze te lynchen, maar in plaats daarvan aan te geven bij het Internationaal Strafhof voor Oorlogsmisdaden in Den Haag. Ze vormen een kooi van wild krioelende spijlen om hem heen en voeren hem af.

‘Orde! Orde!’ roept de rechter.

Het gezoem in de zaal verstomt. Dit is het moment van de uitspraak.

‘Wel,’ zegt de rechter ‘Onderhavig is de zaak van Meneer (en hier wordt de microfoon laag gedraaid omwille van privacyredenen) vanaf nu aan te duiden als De Man zonder Hordeur tegen de gehele insectenwereld.’

De rechter schraapt zijn keel.

‘De afgelopen eeuwen, wat zeg ik millennia, hebben we een eindeloze guerrillastrijd tussen de mens en de vlieg gevoerd zien worden. Hoewel deze strijd over en weer als zeer, zeer bloederig ervaren werd (denk hierbij aan de Afrikaanse slaapziekte, knokkelkoorts en diarree, maar ook aan de vliegenstrip, de opgerolde krant of de elektrische vliegenmepper), voerden beide kampen deze strijd met open vizier. Men wist wat men aan elkaar had: een gevaarlijke, nooit opgevende, nooit rustende tegenstander. Hoe afschuwelijk ook, en hoeveel slachtoffers er aan beide kanten ook te betreuren waren, zowel vlieg als mens waren het erover eens dat de oorlog eerlijk was. Er werd hard gevochten, maar zonder rattenstreken. Krijgsgevangen in lege bierglazen met een viltje erop werden ongeschonden weer vrijgelaten en gevechten op initiatief van het insect waren bijna altijd van man tot man. Die verstandhouding tussen mens en dier is tweemaal met voeten getreden. Eenmaal door het eenzijdig opgeven van de strijd door het weggooien van een hordeur. Een tweede maal door het verbreken van dat verdrag door het opeten van een vlieg.’

Uit de zaal steekt een razend gezoem op.

‘De Man zonder Hordeur,’ hervat de rechter ‘heeft zich als een beest gedragen. Door eerst het vertrouwen van de vliegen, van alle insecten, te winnen, kwam het verbreken van deze prille vertrouwensband aan als een mokerslag. En waarom moest dat verbreken op zo’n onnodig gruwelijke wijze? Het afslachten van een insect met een vliegenmepper is bruut, maar traditie. Waarom daar van afwijken door de vlieg zo gruwelijk, maar ook zo moedwillig op te eten?’

Hier kijkt de rechter De Man zonder Hordeur strak aan.

‘Maar erger nog is zijn dedain, zijn misnoegen tegenover de natuur. Er zijn in de natuur oorlogen die nooit mogen eindigen, die nooit uitgevochten worden maar voor altijd en altijd door moeten gaan, omdat de strijdende partijen er hun bestaansrecht aan ontlenen. De strijd tegen de motregen bijvoorbeeld, de strijd van al wel warm genoeg voor de zomerjas of nog net te koud of de strijd tegen het beurse plekje op de onderkant van een appel. Dit soort oorlogen laat ons zien dat de wereld niet leuk of perfect is, maar ze geven de wereld echtheid. Er ontstaat diepte door ergernis. Wat is een mens wanneer hij niet meer ’s nacht, met een Volkskrantmagazine in de hand en alleen een onderbroek aan, zijn of haar plafond staat af te speuren op zoek naar een onzichtbare mug? En wat is een vlieg wanneer hij niet meer, na op een hondendrol te hebben gezeten, op een boterham met smeerkaas neer wil strijken? Geen mens zou ik zeggen, en geen vlieg. Door zijn hordeur bij het grofvuil te zetten heeft De Man zonder Hordeur de natuur zijn rug toegekeerd. Op zo’n daad, zo’n tegennatuurlijke daad, is maar één antwoord mogelijk. Het definitief verwijderen van De Man zonder Hordeur uit de natuur.’

Juichend gezoem en een zwarte wolk vliegen stijgen beide uit de rechtszaal omhoog. De Man zonder Hordeur begint te huilen. Dan sluiten de zwarte, krioelende spijlen zich weer om hem heen.

Naast een vuilcontainer, tegen zijn eigen, oude hordeur aan en met aan de overkant van de straat een bloeiende kersenboom ligt het lijk van De Man zonder Hordeur, vredesstichter en moordenaar. Zijn kleren zijn hem ontstolen en zijn lichaam is overdekt met fruitschillen, stroop en paardenpoep. Over de berg vuil en over de huid van de man lopen vliegen. Zij eten niet van de rotzooi. Zij eten niet van de man. Zij wassen hun handen. Zij zoemen.

Door Joost Oomen

X