In een van de stukjes die ik onderweg schreef, afgelopen anderhalf jaar, zegt iemand: “Mensen maken zich druk over Zwarte Piet, maar ons landschap zegt pas echt iets over onze identiteit”.

Nu vind ik dat Zwarte Piet, en de discussie over Zwarte Piet, ook wel iets zeggen over onze identiteit, maar het is waar: aan het landschap lezen we, als het goed is, onze geschiedenis af, er zit een gelaagdheid in die ons iets leert over onze afkomst en onze ontwikkeling en over onszelf. Je ziet aan het landschap ook welke keuzes we hebben gemaakt, en maken. Al wandelend krijg je ook meer oog voor het ontstaan van ons land. Zo liep ik in Groningen over de voormalige zeebodem naar de monding van de Aa en Hunze, ik volgde de Aa stroomopwaarts en voelde  de geleidelijke overgang naar de hogere zandgronden, naar het oude land.

Het landschap is van iedereen en dus van niemand. Het is ongrijpbaar en moeilijk aan de man te brengen. Toch heb ik het geprobeerd, in de afgelopen anderhalf jaar: het landschap tastbaar maken, in al zijn lelijkheid en schoonheid. Ik liep niet alleen door het groene lintje dat wandelpadenmakers kunstig door ons land hebben gelegd. Dat groene lintje dat eigenlijk de aandacht afleidt van ons echte landschap, dat het oude land bijna onzichtbaar heeft gemaakt.

Een paar impressies.

Friesland, zomer 2017:
Dan kan ik er niet meer omheen: de A7 onderdoor, de Bolswarderweg op, naar Exmorra, en verder richting Makkum. Er is geen kronkelend wandelpaadje, het moet het toch echt over het fietspad langs de rechte weg door de weilanden, door het Friese platteland zoals het is. Raaigras links, raaigras rechts, dan een maisveld, een megastal hier en een megastal daar, een melkwagen van Campina, balen opgestapeld kuilgras, windmolens in de verte, dan weer een maisveld, en weer dat felgroene raaigras. Geen koeien, en na een paar kilometer sta ik stil en hoor ik minutenlang helemaal niets, op een brommer na. Doodse stilte. Goed, het is het rustige seizoen, maar helemaal geen vogels? Geen bloemen, geen vlinders ook, nou ja, eentje dan, in de berm van de weg. Eerder zag ik nog een groepje spreeuwen, maar het duurt tot vlak voor Exmorra eer ik een weilandje zie met zowaar een paar kieviten.

De eerste huizen van Exmorra, een verademing, een paar van die oude Friese boerenhuizen en een hervormd kerkje. Door je oogharen kijken, dat helpt in Friesland. Denk de witte schimmel aan gebouwen rond de dorpen weg – en de industriële landbouw, en de windmolens – en er blijft een schitterende kern over.

Voorbij Exmorra fotografeer ik wolkenluchten, dat is het mooiste wat het landschap hier te bieden heeft. Dan museumdorp Allingawier, het andere uiterste. Het terpdorp dat museumdorp wordt, en daarmee nostalgie en net zo levenloos als het industriële agrarische landschap waar ik net nog liep. Het is vijf uur geweest, iedereen is weg, het museumdorp is leeg.

En ik vraag me af: is er dan geen tussenweg?

In de Echtenerveenpolder, een polder zoals er vele zijn, ongeveer tien bij tien kilometer, ook Friesland. Het echte landschap. Ik was er met iemand die er was opgegroeid. Wiebren van Stralen kende de landbouw door en door en hij was tot de conclusie was gekomen dat het zo niet verder kon.

Ik noteerde:
Van Stralen weet hoe deze polder er twintig jaar geleden uitzag. En hij weet hoe de polder er over tien jaar uitziet. Grofweg kun je zeggen dat er nu nog vijftig boeren actief zijn, over tien jaar zijn dat er vijf tot tien. De overlevers nemen de grond over, trekken het strak, sloten eruit, raaigras erin, groene biljartlakens, maïs. Die paar ‘snelwegboeren’ houden het nog een tijdje vol.

De weggetjes lijken op dijkjes, want de veengrond eromheen is ingeklonken door de landbouw gewenste lage waterstand. Door die inklinking komt koolstof vrij, als bij een kolencentrale. Dan de weggetjes zelf. Van Stralen: ‘Ze zakken weg, of er komen kuilen in. Om de paar jaar gaat de asfaltmachine er weer overheen, dat doet de gemeente.

Het waterschap houdt de waterstand laag voor de boeren; onnatuurlijk, onverantwoord laag. Het water moet ook gezuiverd, vanwege meststoffen en bestrijdingsmiddelen.

De vaarten liggen inmiddels minstens 2 meter hoger dan het boerenland. Omdat de boeren op hun land moeten, komen er dammen in de vaarten.

Van Stralen geeft korte commentaren. ‘Deze boer is gestopt.’ ‘Deze boerderij staat leeg.’ ‘Deze boer twijfelt nog.’

In de dorpen staan veel huizen te koop, geen bedrijvigheid, ik zie geen scholen. De commentaren van Van Stralen: ‘Hier is alle leven weg.’ En: ‘Daar probeert iemand nog wat.’ Misschien is dat nog het ergste, het doodbloeden van het dorpsleven. Soms komt er een westerling hiernaartoe, zoals een huisarts uit Amsterdam, die hier longklachten kreeg. Nee, dit is geen pittoresk platteland. Dit is een doodlopende snelweg.

Dat zijn mijn woorden. Van Stralen is diplomatieker. ‘De wal keert sowieso het schip’, zegt hij, ‘dus kun je het beter nu al anders gaan doen. Dan kun je het landschap, de natuur, het dorpsleven en de lokale economie nog redden, of weer opbouwen.’

De vraag is: hoe dicht je de kloof tussen de levenloos industrieel boerenland en het museumlandschap. Hoe maak je het boerenland weer leefbaar en natuurrijk, en het museumlandschap, en de Anton Pieckdorpjes tot een levende gemeenschap, waar meer is dan alleen horeca en brocante. Hoe maak je, kortom, de harde scheidingen weer vloeibaar. Ik zag wel aanzetten in die richting: rond de Ruiten Aa in Groningen, rond de Drentse Aa, op een paar landgoederen, tussen de steden van Midden-Brabant, onder Rotterdam. Allemaal projecten waarbij burgers meer zeggenschap over hun voedsel en hun landschap willen. Herenboeren, voedselbossen, noem maar op, projecten met natuurvriendelijk landbouw.

Even voor Kerst was ik in Wapse, in Drenthe, bij de Ten Darperschoele. Ik zag het schoolgebouwtje vanuit de verte en ik was bang dat het niet meer in gebruik was. Het is merkwaardig, maar dat heb ik altijd als ik door dorpen loop en schoolgebouwtjes zie. Het komt natuurlijk omdat ik zelf een dochtertje heb op de basisschool. Maar er is nog iets anders: de aanblik van een basisschool met spelende kinderen op het schoolplein is voor mij het teken dat er een gemeenschap is, een vitaal dorpsleven. Anderzijds, zo schreef ik op: geen droeviger aanblik dan een verlaten dorpschool.

Tot mijn verbazing was de Ten Darperschoele gewoon in bedrijf. Ik meldde me aan, en sprak er met een onderwijzer en de directeur, intussen kwamen groepen kinderen terug van de gymles. Overal kleurplaten, kaarten aan de muur, kerstversiering. De directeur en de onderwijzer vertelden dat het niet veel had gescheeld of de Ten Darperschoele was inderdaad gesloten. Wegens het voorziene toekomstige gebrek aan leerlingen. Door vergrijzing, de trek van jonge mensen naar de stad. Minder boerengezinnen, minder bedrijvigheid. Ook hier waren nog maar een paar grote boeren over.

Maar de school vocht terug. Het maakte samen met de ouders een plan om de school aantrekkelijk te maken, om meer mensen naar het dorp te trekken. Ze benadrukten de voordelen van een kleine dorpsschool. ‘Er is hier natuur, en schone lucht,’ zei de directeur. ‘Een goede, betaalbare woonruimte voor jonge gezinnen.’ Deze directeur wist hoe je Drenthe in de markt moest zetten: met leefbaarheid. 39 leerlingen telde de school nu. Die avond was er een kerstdiner, waarbij zowat het hele dorp aanwezig zou zijn, 39 kinderen en hun ouders. Ik vond dat ontroerend.

X