Ik verhaal met de woorden van alle mensen die ik ooit ben tegengekomen, zij die ik vanuit mijn ooghoeken stiekem bestudeerde tijdens een busrit en zij met wie ik diepe, oprechte gesprekken heb gehad nachtenlang tot bij het ochtendgloren, van alle dingen die ik zag gebeuren, van het leven dat zich rondom mij voltrok, zich voltooide en iedere keer opnieuw begon, zich bewust of onbewust binnen in mij nestelde als mijn diepste stem die soms verstilde, verloren raakte, vergeten werd, maar altijd klonk en weergalmde al was het vaak woord- en geluidloos.

Van alle stemmen in mij, spreek ik het meest en het liefst met de stem van oma. De vrouw die mij leerde lachen en zelf het lachen nooit verleerde, hoewel de tijd aan haar herinneringen vreet en ze zichzelf verliest, terwijl ik in haar mezelf verloren zie gaan. Zij maakte een leven lang een diepe indruk op iedereen die ze ontmoette. De kracht die in mij ontspringt, is zij.

Een jaar geleden logeerde ik een paar dagen tijdens de vakantie bij haar. Ik vroeg of ze over vroeger wou vertellen. Ze vertelde, maar onderbrak wel haar relaas: dat ik absoluut geen boek mocht schrijven over haar levensverhaal. Ik giechelde. Een belofte die ik onmogelijk kon maken. Vanzelfsprekend zal niemand lezen of horen wat ze mij in alle vertrouwen ooit verteld heeft. Maar zij blijft de ondertoon van mijn stem, zij is mijn grootste muze, elk gedicht van mij heeft zij ook voor een deel geschreven.

Dit verhaal vertelde zij mij ooit, lang geleden en met de jaren heeft het verhaal zich steeds opnieuw afgespeeld in mijn herinnering. Zo vaak dat ik van de vrouw die erin speelt, mijn overgrootmoeder, een strijdlustige feministe maakte. En dat mag, want verhalen zijn niet meer of minder dan de betekenis die wij eraan geven. Elke ochtend baren wij nieuwe verhalen met de betekenis die we ze geven.

Terwijl de grimmige voortekens van een nieuwe wereldoorlog zich in Europa voordoen, reist mijn overgrootmoeder naar de eerste witte koepel in haar omgeving. Na de zoveelste jongen die in haar schoot geboren wordt, wil zij graag een dochter. Die witte koepels zijn verspreid over heel Marokko en worden drukbezocht. Het zijn begraafplaatsen van mannen die belangrijk waren tijdens hun leven en die na hun dood met Allah zouden communiceren. Binnen die witte koepels worden dagelijks honderden wensen gepreveld, wordt er muziek gespeeld, geesten verdreven. Het zijn de meest magische plaatsen in het al magische Marokko.

Dit verhaal speelt zich af in Kelaat Sraghna, een heuvelachtig landschap van bruine aarde, waar de ranke takken van een ontelbaar aantal olijfbomen weinig schaduw bieden tegen de hitte. Het gebied strekt zich uit boven Marrakech waar het geboortedorpje van oma zich bevindt. Maar toen was het enkel nog het geboortedorp van haar moeder, mijn overgrootmoeder, en van vele generaties voor haar.

Op haar weg terug, werd mijn overgrootmoeder staande gehouden door een kennis. Hij vroeg haar waar ze was geweest Ze vertelde hem over haar diepste wens en haar tocht.

‘Maar mevrouw toch’, antwoordde hij, ‘wensen richt je tot God en niet tot een gestorven meneer. Dat is allemaal bijgeloof. Geef me je hand.’

Ze legde haar hand in de zijne. Het moment bezegeld: ‘Jij vroeg God om één dochter, ik vraag hem om je er drie te schenken.’

In Marokko zeggen ze na een wens: ‘Dat het van jouw mond meteen bij God zal eindigen.’ Dan zie ik alle wensen stijgen tot in de hemel en jaren later afdalen om op aarde in vervulling te gaan. Zo werden mijn oma en haar twee zussen een uitgekomen droom, een bezegelde belofte, een in vervulling geraakte wens. Mijn oma kreeg zelf drie dochters, een daarvan mijn moeder. Mama kreeg ook drie meisjes.

Dit eerste verhaal heb ik betekenis gegeven. Dat mijn overgrootmoeder een van de enige vrouwen moet zijn geweest die God om een meisje vroeg. Niemand wilt als een meisje geboren worden in een land waar je op je dertiende trouwde en je man waarschijnlijk een paar jaar later zou zien sterven aan een ouderdomskwaal, het land waar je eerstgeborene altijd dood geboren werd omdat je kinderlichaam weigerde leven te geven, een land waar je tot voor kort nog gedwongen werd met je verkrachter te trouwen, waar huiselijk geweld niet als geweld gezien werd, een land waar jaloerse mannen de djelleba’s van hun vrouw in een emmer met water achterlieten voor ze naar het werk vertrokken, zodat hun vrouw niet naar buiten kon gaan. En in de rest van de wereld ging het er helemaal niet beter aan toe.

Het moet 1938 zijn geweest. Het was onverstandig van mijn overgrootmoeder om een meisje te vragen, roekeloos, maar ergens ook een beetje hoopvol: misschien dat de dochter van de dochter van haar dochter het beter zou hebben.

We zijn bijna een eeuw verder. Terwijl ik deze ode aan mijn overgrootmoeder schrijf, staan er vrouwen in de straten van Marokko om op te komen tegen onrecht. Het zijn altijd de vrouwen die als eerste van hun rechten beroofd worden. En in elk land zijn het ook de vrouwen die als laatste hun rechten verwerven. En tevens zijn zij het die uit een bijna aangeboren gevoel voor onrecht de eerste rijen van protesten vertegenwoordigen.

Ik schrijf dit voor zij die durven de straat op te gaan in een land waar je van de ene op de andere dag spoorloos kan verdwijnen. Ik schrijf dit voor mijn grootmoeder die de zachte, rode heuvels van Marokko durfde verlaten voor de heuvels van Limburg en hier woord- en geluidloos arriveerde hoewel haar koffer vol verhalen zat. Ik schrijf dit voor mijn overgrootmoeder, zij die het vrouw-zijn vierde door leven te geven aan een vrouw hoewel ze wist dat haar dochter op momenten niet eens inspraak zou hebben over haar eigen lijf en leven.

Een ode aan de vrouw die durft dromen. In tijden van een oneindige onderdrukking waar haar tocht, haar wens een meisje te baren terwijl iedereen graag een zoon had, een teken van helse rebelsheid was. Want in een vervallen huis met dichtgetimmerde ramen en stukgeslagen ruiten, zijn de lichtbundels door de kleinste kieren in het duister nog lichter en vol van liefde.

 

X